ABRvS 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6497

De Remigratiewet noch het Uitvoeringsbesluit omschrijft het begrip hoofdverblijf. Uit art. 1, lid 1, onder f, van de Remigratiewet volgt evenwel dat deze wet ziet op situaties waarin betrokkene zich buiten Nederland vestigt en aldus zijn hoofdverblijf in Nederland opgeeft of waarin betrokkene al buiten Nederland is gevestigd en aldus geen hoofdverblijf in Nederland meer heeft. De Remigratiewet strekt dan ook niet zover dat een situatie van dubbel hoofdverblijf, dat wil zeggen een hoofdverblijf in en buiten Nederland, voor mogelijk moet worden gehouden. Nu de SVB voorts enige beoordelingsvrijheid heeft bij de invulling van het begrip hoofdverblijf, gaat het beleid van de SVB over ingezetenschap, dat inderdaad inhoudt dat betrokkene niet tegelijk in en buiten Nederland hoofdverblijf kan hebben, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Nu dat begrip niet op één lijn kan worden gesteld met het begrip ingezetenschap als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, LJN: BP1466 faalt het betoog dat de SVB een onjuiste uitleg aan het arrest heeft gegeven. Gezien de geschetste feiten en omstandigheden van het geval heeft de SVB zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant ten tijde van de aanvraag geen hoofdverblijf in Nederland had. In dit verband is van belang dat uit de verklaring van appellant ter zitting bij de Rb., te weten dat hij naar Nederland is gekomen met de intentie om een aanvraag in de zin van de Remigratiewet in te dienen, blijkt dat hij bij zijn terugkeer uit Suriname en ten tijde van de aanvraag niet de intentie had om duurzaam in Nederland te verblijven. De Rb. heeft dus terecht overwogen dat de SVB appellant terecht niet als remigrant in de zin van art. 1, aanhef en onder f, van de Remigratiewet heeft aangemerkt en appellant daarom niet voor een remigratievoorziening in aanmerking komt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen