ABRvS 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6245
Wanneer de betekenis en draagwijdte van het begrip 'maanden' worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van dat begrip, leidt dat tot de conclusie dat 'maanden' dienen te worden gedefinieerd als daadwerkelijke kalendermaanden. De Terugkeerrichtlijn biedt zonder een bepaling waarin hiervan wordt afgeweken, geen grond voor een ander oordeel. Evenwel verzet de Terugkeerrichtlijn zich, gelet op het voormelde art. 4, lid 3, niet tegen het door de minister in paragraaf A6/5.3.5 van de Vc 2000 neergelegde beleid dat een maand beschouwd dient te worden als een tijdvak van dertig dagen. Met dit beleid wordt voldaan aan de uit de Terugkeerrichtlijn voortvloeiende norm dat een bewaring met het oog op terugkeer niet langer duurt dan zes dan wel achttien maanden. Een periode van zes dan wel achttien maanden waarbij een maand wordt berekend als een tijdvak van dertig dagen, is immers te allen tijde gelijk aan of korter dan zes of achttien kalendermaanden. Dat betekent dat de belangenafweging op grond van paragraaf A6/5.3.5 van de Vc 2000 in geen geval later door de minister mag worden gemaakt dan in art. 15, lid 6 van de Terugkeerrichtlijn wordt voorgeschreven en in voorkomende gevallen, zoals in deze zaak aan de orde, zelfs eerder dient plaats te vinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl