ABRvS 16 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5594
De vreemdeling heeft de door haar gestelde materiële schade, die het gevolg is van de handhaving van het besluit om de eerder aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige voor Hope's Business Center op grond van het Nederlands Amerikaans Vriendschapsverdrag' niet te verlengen, gezien de door haar daarop gegeven toelichting in de brief van 27 oktober 2010, tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt. Omdat voormelde verblijfsvergunning ertoe strekt de vreemdeling in staat te stellen inkomen te verwerven, kan niet worden geoordeeld dat het in art. 6:163 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde relativiteitsvereiste op voorhand aan vergoeding van dergelijke schade in de weg staat, zoals ook de minister ter zitting heeft beaamd. In zoverre wijkt het onderhavige geval af van het geval als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012 in zaak nr. 201108553/1/A2 (LJN: BV7280). Het voorgaande in aanmerking genomen, heeft de vreemdeling belang bij een toetsing van het besluit van 8 oktober 2009 door de rechter. De Rb. heeft het door de vreemdeling ingestelde beroep derhalve ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. Verder had de Rb. in hetgeen de vreemdeling in de brief van 27 oktober 2010 ten aanzien van de door haar gestelde immateriële schade heeft uiteengezet, aanleiding moeten zien om te beoordelen of in dit geval de procedure binnen een redelijke termijn is afgerond.
De uitspraak op rechtspraak.nl