ABRvS 27 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5045
De voorzieningenrechter heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich omstandigheden voordoen als bedoeld in art. 7, lid 4 van de Terugkeerrichtlijn. Derhalve heeft de minister ten onrechte geen termijn voor vrijwillig vertrek vastgesteld. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 22 december 2011 in zoverre vernietigd en zelfvoorziend, gelet op het bepaalde in art. 62, lid 1 Vw 2000), alsnog een termijn voor vrijwillig vertrek van vier weken vastgesteld. 15 Tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter is in rechte niet opgekomen, zodat daarvan moet worden uitgegaan. (…) De Rb. heeft, gelet op de systematiek van de Terugkeerrichtlijn, nadat de voorzieningenrechter zelf voorziend een termijn voor vrijwillig vertrek heeft vastgesteld, ten onrechte nagelaten de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. (…) De omstandigheid dat de toegepaste vrijheidsontnemende maatregel mede diende ter verhindering van de binnenkomst van de vreemdeling op het grondgebied, maakt het vorenstaande niet anders. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de systematiek van de Terugkeerrichtlijn een lidstaat van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek kan afzien, indien is voldaan aan het bepaalde in art. 7, lid 4 van de Terugkeerrichtlijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl