ABRvS 26 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4830
Grief 2, gericht tegen het oordeel van de Rb. over het inreisverbod, slaagt, reeds omdat het terugkeerbesluit voor vernietiging in aanmerking komt. Ingevolge art. 66a, lid 1, aanhef en onder a Vw 2000, gelezen in verbinding met de artikelen 62 en 62a van die wet, kan immers slechts een inreisverbod worden opgelegd aan de vreemdeling jegens wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. […] De in de totstandkominggeschiedenis tot uitdrukking gebrachte wens van de wetgever van concentratie van rechtsbescherming, zoals hiervoor weergegeven, en het als gevolg van die wens tot stand gekomen art. 75 aanhef en onder c van de Vw 2000, bieden de mogelijkheid voor de Rb. om zich in voorkomende gevallen tegelijkertijd een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit en van een gelijktijdig of daarop volgend opgelegde maatregel van bewaring. Indien de Rb. voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met haar uitspraak in de bewaringsprocedure een terugkeerbesluit onrechtmatig acht en daarom vernietigt, dient de bewaringsrechter, gelet op het vorenstaande, ambtshalve de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten wegens het ontbreken van een rechtmatig terugkeerbesluit. Het zou afbreuk doen aan de door de wetgever gewenste concentratie van rechtsbescherming, indien de bewaringsrechter in een zodanig geval geen gevolgen zou verbinden aan een onrechtmatig gebleken terugkeerbesluit. Dit laat onverlet, dat de bewaringsrechter moet uitgaan van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, zolang een daartegen in een afzonderlijke procedure aangewend rechtsmiddel niet heeft geleid tot het oordeel dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl