ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4683
Last onder dwangsom om binnen twee maanden na de verzending van het besluit de zonder vergunning tot stand gebrachte samenvoeging van de woningen ongedaan te maken. Wederpartijen zijn de eigenaren van de appartementen gelegen aan de locatie A en locatie B te Amsterdam. Zij hebben een tussenmuur verwijderd waardoor de twee aanwezige voordeuren direct toegang geven tot dezelfde daarachter gelegen ruimte. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat wederpartijen aldus de twee woningen hebben samengevoegd, omdat door verwijdering van de tussenmuur de appartementen zodanig met elkaar zijn verbonden dat geen sprake meer is van twee aparte besloten woonruimten. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat het appartement locatie A wordt gebruikt als logeerruimte voor gasten en als werkruimte. Onder verwijzing naar de uitspraken van 30 maart 2011 en 30 juli 2003 in zaken nrs. 201008115/1/H3, LJN: BP9583 en 200203397/1, LJN: AI0538 overweegt de Afdeling dat voor het samenvoegen van twee woningen van belang is dat de woningen door samenvoeging niet meer afzonderlijk worden bewoond. Niet in geschil is dat wederpartijen een verbinding tussen de woningen locatie A en locatie B tot stand hebben gebracht door het verwijderen van een muur tussen de woningen. Anders dan wederpartijen hebben betoogd, is de Afdeling van oordeel dat het plaatsen van een aan beide kanten afsluitbare deur in de terug te plaatsen tussenmuur, zoals door hen is aangeboden, onvoldoende is om een in het maatschappelijk verkeer aanvaarde scheiding tussen twee afzonderlijke woningen te bewerkstelligen. De Afdeling is verder van oordeel dat het dagelijks bestuur terecht het standpunt heeft ingenomen dat de woningen niet meer afzonderlijk als zijnde besloten woonruimten worden bewoond. Daarbij heeft het dagelijks bestuur terecht in aanmerking genomen dat de benedenwoning voorheen door wederpartijen werd verhuurd en na het verwijderen van de muur in gebruik is als werkruimte en logeerkamer. Dit gebruik is tijdens een controle door gemeentelijke toezichthouders geconstateerd. Het standpunt dat wederpartijen elk afzonderlijk in één van de woningen wonen en een zogenoemde LAT-relatie onderhouden, heeft het dagelijks bestuur terecht niet bij zijn beoordeling betrokken, nu wederpartijen dit standpunt eerst in beroep naar voren hebben gebracht. Daarbij komt dat wederpartij B tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft meegedeeld dat indien het bezwaarschrift ongegrond zou worden verklaard wederpartij A zich zal inschrijven op het adres van de benedenwoning. Anders dan de Rb. is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat de woningen elk beschikken over een eigen toegang en elk zijn voorzien van wezenlijke voorzieningen, niet leidt tot een ander oordeel. De door de Rb. in de aangevallen uitspraak in dat verband aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 1994, LJN: AN4018, zag weliswaar op een geval waarin de betrokken woningen eveneens elk beschikten over een eigen toegang en elk waren voorzien van alle wezenlijke voorzieningen, maar anders dan thans het geval is, ging het daar niet om een interne verbinding die tussen de afzonderlijke woningen tot stand was gebracht. Evenmin leidt de omstandigheid dat de woningen eenvoudig in oude staat kunnen worden teruggebracht tot een ander oordeel. Gegrond beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl