ABRvS 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3308

Voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 deels herzien en vastgesteld op nihil. Voor zover het hoger beroep ziet op het voorschot kinderopvangtoeslag over de periode 1 januari 2010 tot en met 14 juli 2010 wordt als volgt overwogen. In deze periode was het gastouderbureau een eenmanszaak en nog niet omgezet in een besloten vennootschap (in oprichting). De Rb. heeft terecht overwogen dat de intentieverklaring tot oprichting van de besloten vennootschap geen betekenis heeft voor de periode 1 januari 2010 tot en met 14 juli 2010, omdat de voorafgaande aan de oprichting van de besloten vennootschap voor haar rekening verrichte rechtshandelingen vanaf 15 juli 2010 zijn bekrachtigd. Eveneens heeft de Rb. met juistheid overwogen dat een persoon als houder van een gastouderbureau, zijnde een eenmanszaak, niet los kan worden gezien van diezelfde persoon als ouder en er aldus geen rechtsgeldige overeenkomst in de zin van art. 52 van de Wko is wanneer de ouder en de houder van het gastouderbureau één en dezelfde persoon zijn. De Rb. is er echter ten onrechte aan voorbijgegaan dat in dit geval de overeenkomst niet alleen door appellante in haar hoedanigheid van ouder is ondertekend, maar ook door haar echtgenoot in zijn hoedanigheid van ouder in de zin van art. 1, lid 1 Wko. Nu de overeenkomst door twee verschillende partijen is ondertekend, is sprake van een rechtsgeldige overeenkomst. De Rb. heeft dit ten onrechte niet onderkend. De Belastingdienst heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ook art. 5, lid 2, van de Wko er aan in de weg staat dat een rechtsgeldige overeenkomst wordt gesloten tussen een houder van een gastouderbureau en de partner van de houder als ouder. Volgens de Belastingdienst volgt uit art. 5, lid 2 van de Wko dat beide ouders als één moeten worden gezien, waardoor de partner van appellante voor het sluiten van een overeenkomst in het kader van de Wko als dezelfde partij dient te worden aangemerkt als appellante zelf. Dit standpunt van de Belastingdienst kan niet worden gevolgd. Niet valt in te zien hoe art. 5, lid 2 van de Wko, waarmee wordt beoogd te voorkomen dat twee ouders ten aanzien van hetzelfde kind een aanspraak op (een voorschot) kinderopvangtoeslag te gelde kunnen maken, er aan in de weg staat dat een rechtsgeldige overeenkomst wordt gesloten tussen een houder van een gastouderbureau en de partner van de houder als ouder. Dat de ouders voor de toepassing van de Wko geacht worden één aanspraak te hebben, betekent niet dat de ouders in dat geval als één partij in de zin van art. 213 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek moeten worden gezien.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen