ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2788
In bijlage II van de Uitvoeringsverordening is onder I.9. en het kopje "Uitreis uit het grondgebied van de lidstaten (artikel 16, lid 3)" bij de opsomming van "indirecte bewijzen", aan het slot vermeld "andere indirecte bewijzen van dezelfde aard". In die opsomming zijn onder meer vervoerbewijzen als indirect bewijs aangemerkt. In de Uitvoeringsverordening, bijlage II, is bij de opsomming van "indirecte bewijzen", waaronder vervoerbewijzen en "andere indirecte bewijzen van dezelfde aard", niet de eis gesteld dat die op naam van de desbetreffende vreemdeling dienen te staan. Aankoopbonnen en een toegangsbewijs van een bezoek aan de Hermitage kunnen als "andere indirecte bewijzen van dezelfde aard" worden beschouwd. Derhalve heeft de Rb. terecht geoordeeld dat de minister in de enkele omstandigheid dat de aankoopbonnen en het toegangsbewijs niet op naam van de vreemdeling staan geen aanleiding mocht zien deze buiten beschouwing te laten. Hoewel, gezien die omstandigheid, de bewijskracht van de aankoopbonnen en het toegangsbewijs op zichzelf beperkt is, diende de minister deze indirecte bewijzen, tezamen met de overige door de vreemdeling ingebrachte indirecte bewijzen, te betrekken bij de toetsing of zij het door haar gestelde verblijf van meer dan drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten aannemelijk heeft gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl