ABRvS 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2594

De Afdeling verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen: 1. Hoe dient de term "opzettelijke niet-naleving" in art. 51, lid 1, van Verordening (EG) 1698/2005, art. 23 van Verordening (EG) 1975/2006, en art. 67, lid 1, van Verordening (EG) 796/2004, te worden verstaan; is om dat aan te nemen voldoende dat langdurig bestendig beleid niet wordt nageleefd, als beschreven in art. 8, lid 2, onder c, van de nationale Beleidsregels normenkader randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouwbeleid? 2. Staat het Unierecht er aan in de weg dat in de lidstaat wordt geoordeeld dat een regeling "opzettelijk" niet wordt nageleefd, als bedoeld in die verordeningen, reeds omdat zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan: a. in de desbetreffende niet-nageleefde randvoorwaarde reeds opzet wordt aangenomen; b. de desbetreffende randvoorwaarde complex is; c. er langdurig bestendig beleid is; d. er een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling, is; e. de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde en f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd daartoe aanleiding geeft? 3. Kan de begunstigde van de subsidie "opzet" van de "niet-naleving" worden aangerekend, indien een derde de werkzaamheden in opdracht van de begunstigde uitvoert?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen