ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1824
Afwijzing aanvraag om toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand. De raad heeft aan het besluit van 21 april 2011 ten grondslag gelegd dat eerst in het aanvullende bezwaarschrift van 13 april 2011 en derhalve niet binnen de in artikel 34c, derde lid, van de Wrb daarvoor gestelde termijn een aanvraag om peiljaarverlegging is ingediend. Uit het door appellant ingediende bezwaarschrift van 28 maart 2011 blijkt niet dat is beoogd mede een aanvraag om peiljaarverlegging in te dienen en voorts bevat het geen gronden, zodat het niet op een lijn is te stellen met een aanvraag daartoe. Eerst bij aanvulling van het bezwaarschrift bij geschrift van 13 april 2011 heeft hij een aanvraag daartoe ingediend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr. 201105510/1/H2, LJN: BU7050), is, ingeval uit het bezwaarschrift niet van een aanvraag om peiljaarverlegging blijkt, dat bezwaarschrift niet met zo’n aanvraag op een lijn te stellen, ook niet als nadien bij het aanvullen van de gronden van het bezwaar zo’n aanvraag wordt ingediend. Dat de raad, naar gesteld, in andere gevallen wel op aanvragen om peiljaarverlegging heeft beslist, die waren ingediend bij het aanvullende bezwaarschrift en niet binnen de in art. 34c, derde lid, van de Wrb daartoe gestelde termijn, heeft de rb. er terecht niet toe gebracht appellant te volgen in zijn betoog. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 34c van de Wrb valt af te leiden dat de wetgever met het stellen van een termijn van zes weken, waarbinnen de aanvraag om peiljaarverlegging moet worden ingediend, bedoeld heeft aan te sluiten bij de in art. 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift (Kamerstukken II 2003/04, 29 685, nr. 3, blz. 18) gestelde termijn. De termijn, gesteld bij art. 34c, derde lid, van de Wrb, is een fatale. Ongegrond hoger beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl