ABRvS 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1061
Afwijzing verzoek van de Faunabescherming om openbaarmaking van gegevens over het afschot van wilde zwijnen. De Rb. heeft geoordeeld dat het college bij de behandeling van het verzoek van de Faunabescherming ten onrechte niet heeft onderzocht of de ambtenaren in zijn dienst uit hoofde van hun functie van toezichthouder in de zin van art. 5:11 Awb over de gevraagde gegevens beschikken. Daartoe heeft zij overwogen dat deze toezichthouders hiërarchisch ondergeschikt zijn aan het college, onder zijn verantwoordelijkheid werken en gehouden zijn overeenkomstig zijn aanwijzingen te handelen. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de onder deze toezichthouders berustende informatie niet onder het college berust. Dat de voor het college werkzame toezichthouders zijn aan te merken als een bestuursorgaan, als bedoeld in art. 1a, lid 1, aanhef en onder c, van de Wob, ontneemt het college niet de bevoegdheid om zelf op het verzoek te beslissen, aldus de Rb. Zij heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar daarom op een ondeugdelijke motivering berust. Het college betoogt dat de Rb. aldus heeft miskend dat de toezichthouders niet in zijn dienst, maar in dienst van de provincie Gelderland werken en dat zij voor wat betreft de uitvoering van de aan hen geattribueerde bevoegdheden zelf een bestuursorgaan zijn. Dat de toezichthouders een bestuursorgaan, als bedoeld in art. 1a, lid 1, aanhef en onder c, van de Wob zijn, laat onverlet dat zij, gelet op de strekking van de artikelen 3 en 4 van de Wob en op de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet een eigen beslissingsbevoegdheid hebben omtrent de openbaarmaking van de documenten die zij uit hoofde van hun functie als toezichthouder vergaren en bewaren. De Rb. heeft niet onderkend dat uit de Wob noch uit de artt. 10:22 en 10:23 van de Awb voortvloeit dat die documenten geacht moeten worden mede te berusten bij het college, als het bovengeschikte orgaan, althans zij heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de beslissingsbevoegdheid van de toezichthouders geen exclusieve bevoegdheid is, aldus het college. Ingevolge art. 104, lid 1 van de Flora- en faunawet zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet onder meer de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren belast. Door deze attributie van de toezichthoudende bevoegdheid zijn de toezichthouders op grond van art. 10:22, lid 1 van de Awb, gelezen in samenhang met art. 10:23 van deze wet, weliswaar zelf een bestuursorgaan, maar werken zij in dit verband onder verantwoordelijkheid van het college. Dat de toezichthouders in dienst zijn van de provincie Gelderland laat deze verantwoordelijkheidsrelatie onverlet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (o.m. in de uitspraak van 15 februari 2001 in zaak nr. 200003439/1; AB 2002, 2, LJN: AB0268 en de uitspraak van 12 september 2001 in zaak nr. 200100410/1; AB 2002, 4, LJN: AD3774), verzetten de bepalingen van de Wob zich er niet tegen dat een bestuursorgaan, onder wiens verantwoordelijkheid een ander bestuursorgaan werkzaam is, bevoegd is om op een Wob-verzoek te beslissen, indien de informatie waarom is verzocht in documenten bij het ondergeschikte orgaan berust. De Rb. heeft daarom met juistheid geoordeeld dat het college als het verantwoordelijke bestuursorgaan bevoegd was een besluit te nemen op het verzoek voor zover de gevraagde gegevens in documenten bij deze toezichthouders berusten. Zij heeft het college terecht opgedragen te onderzoeken of de toezichthouders over deze gegevens beschikken en vervolgens een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl