ABRvS 28 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0615

In de grieven klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de Rb. ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belang heeft bij de behandeling van het beroep. Voor deze overweging heeft de Rb., volgens de vreemdeling, ten onrechte redengevend geacht dat haar huwelijk met de referent, van Poolse nationaliteit, feitelijk was verbroken ten tijde van het besluit. (…) Indien de vreemdeling gevolgd zou worden in haar betoog dat zich geen schijnhuwelijk voordoet, zou zij mogelijk op basis van haar huwelijk met een burger van de Unie hier te lande rechtmatig verblijf (gehad) kunnen hebben. Gelet hierop is niet uitgesloten dat de vreemdeling in deze procedure, waar dat betoog aan de orde kan komen, in een gunstiger positie zou kunnen geraken, zodat de Rb. het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van belang. (…) In art. 51, lid 1 van het EU Handvest, voor zover thans van belang, wordt vermeld dat de bepalingen van het EU Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Nu de minister op de aanvraag van de vreemdeling moest beslissen met, voor zover hier van belang, toepassing van een bepaling in het Vb 2000 die strekt tot implementatie van art. 35 van de richtlijn, heeft hij in deze zaak het recht van de Unie ten uitvoer gebracht. De zaak valt derhalve binnen de materiële werkingssfeer van het EU Handvest. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft overwogen in het arrest van 15 november 2011, C-256/11, Dereci, punt 70, www.curia.europa.eu, dient aan art. 7 van het EU Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte te worden toegekend als aan art. 8, lid 1 van het EVRM, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het EHRM. Uit de rechtspraak van het EHRM (zie bijvoorbeeld het arrest van 28 mei 1985 in zaak nrs. 9214/80, 9473/81 en 9474/81, Abdulaziz e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk, www.echr.coe.int/echr) valt, voor zover hier van belang, af te leiden dat, wanneer sprake is van een rechtmatig en echt huwelijk ("genuine marriage"), waarbij de echtgenoten samenwonen, in ieder geval sprake is van familieleven in de zin van art. 8, lid 1 EVRM. Zoals hiervoor onder 2.5.2. is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een schijnhuwelijk. Gelet hierop wordt niet voldaan aan het blijkens voormelde rechtspraak van het EHRM geldende vereiste van een echt huwelijk ("genuine marriage"), zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van familieleven in de zin van art. 7 van het EU Handvest.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen