ABRvS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9539
Toekennen planschadevergoeding. Het geschil is beperkt tot de eerste planvergelijking, te weten die van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" met het bestemmingsplan "Hooghalen Westerkampen". Daarbij staat centraal de overgangsbepaling in art. 35 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied". Appellant betoogt dat de Rb. ten onrechte heeft geoordeeld dat deze overgangsbepaling niet zo verstrekkend is, dat zij te vergelijken is met een positieve bestemming. Hij voert aan dat de Rb. ten onrechte van belang heeft geacht dat aan de vrijstellingen in deze bepaling voorwaarden konden worden verbonden, aangezien bij verzoeken om vergoeding van planschade dient te worden uitgegaan van de maximale invulling van het bestemmingsplan, inclusief de vrijstellingen. Nu de overgangsbepaling in art. 35 van de voorschriften van het oude bestemmingsplan meer uitbreidingsmogelijkheden bood dan het nieuwe bestemmingsplan en met toepassing van de in art. 35, lid 6, opgenomen vrijstellingsmogelijkheid volledige nieuwbouw van een woning op zijn perceel mogelijk was, dient deze overgangsbepaling volgens appellant als een positieve bestemming te worden aangemerkt. Anders dan appellant betoogt, heeft de Rb. bij de beoordeling of de overgangsbepaling is gelijk te stellen met een positieve bestemming terecht van belang geacht of aan de in die bepaling opgenomen bouwmogelijkheden voorwaarden zijn verbonden. Dat in het kader van de planvergelijking bij de maximale invulling van het bestemmingsplan de vrijstellingsbepalingen worden meegenomen, leidt niet tot een ander oordeel aangezien die bepalingen de mogelijkheden om te bouwen met toepassing van het overgangsrecht wel verruimen, maar slechts in beperkte mate. Uit de overgangsbepaling in art. 35 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" volgt dat de mogelijkheden om de woning van appellant te vernieuwen, te veranderen en te vergroten is beperkt. Zo is de in het eerste lid toegestane gedeeltelijk vergroting van onder het overgangsrecht vallende gebouwen beperkt, in die zin dat die niet meer dan 15% van het bestaande grondoppervlak van het betreffende gebouw mag omvatten en geen grotere goothoogte mag hebben dan die van het bestaande gebouw. Voorts is de in het vierde lid opgenomen bevoegdheid van het college om vrijstelling te verlenen van het eerste lid ten behoeve van woningen eveneens beperkt, in die zin dat het grondoppervlak ervan mag worden uitgebreid met meer dan 15% tot een grondoppervlak van maximaal 60 m2. Tot slot is de in het zesde lid opgenomen bevoegdheid van het college om vrijstelling te verlenen van het eerste lid, onder a, ten behoeve van het geheel vernieuwen van bouwwerken op de bestemming agrarische doeleinden, beperkt in het zevende lid voor wat betreft onder meer de afmetingen en goothoogte van het desbetreffende gebouw. Gelet op deze beperkingen heeft de Rb. terecht geoordeeld dat geen sprake is van een overgangsbepaling die zo verstrekkend is, dat zij te vergelijken is met een positieve bestemming. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl