ABRvS 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8143

Weigering verlenen vrijstelling ten behoeve van het vestigen van een vergistingsinstallatie omdat de voorziene locatie niet strookt met de criteria uit de Handreiking (co-)vergisting van mest (Infomil, april 2005; hierna: de Handreiking) en het Beleidskader covergisting van de provincie Drenthe van oktober 2006 (hierna: het Beleidskader). De rb. heeft het besluit van 26 november 2009 vernietigd omdat, kort weergegeven, het college in zijn motivering onvoldoende heeft beargumenteerd waarom het is teruggekomen van zijn eerdere bereidheid planologische medewerking te verlenen aan de vestiging van de vergistingsinstallatie en onvoldoende is ingegaan op het treffen van eventuele compenserende maatregelen. In dit geval is allereerst van belang vast te stellen, of en op welk moment het college de bereidheid heeft getoond om vrijstelling te verlenen in de hiervoor weergegeven zin. Hierbij merkt de Afdeling op dat het moet gaan om de situatie dat het college bij de aanvrager het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de vrijstelling zonder meer zal worden verleend. Niet voldoende is dat uit uitlatingen van het bevoegd gezag enkel een in beginsel positieve houding over het voorgenomen project blijkt. De definitieve beslissing over de verlening van de vrijstelling vindt pas plaats bij het besluit op de aanvraag, en die beslissing kan mede afhankelijk van alle in de verdere loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen - ook de mogelijke belangen van derden - anders uitvallen dan het bevoegd gezag in eerste instantie heeft ingeschat. Het college heeft op zichzelf terecht betoogd dat niet van meet af aan het vertrouwen is gewekt dat de vrijstelling zou worden verleend. Dit laat onverlet dat dit gerechtvaardigde vertrouwen wel is gewekt met de kennisgeving van de collegebeslissing van 9 mei 2009. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, diende het college deugdelijk te motiveren waarom het is teruggekomen van zijn bereidheid om de vrijstelling te verlenen en daarbij mede aandacht te besteden aan het bij betrokkene opgewekte vertrouwen. Uit het besluit van 26 november 2009 blijkt dat naar aanleiding van de op 8 september 2009 aangenomen gemeenteraadsmotie opnieuw is beoordeeld of de voorgenomen vestiging van de vergistingsinstallatie zich zou verdragen met de door het college tot uitgangspunt genomen Handreiking en Beleidskader. Uit hetgeen eerder is overwogen, volgt dat het college op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat - anders dan het voorheen meende - de vestiging van de installatie zich niet met deze uitgangspunten verdraagt. Hiermee heeft het college zijn standpunt dat ruimtelijke belangen zich verzetten tegen vestiging van de vergistingsinstallatie deugdelijk gemotiveerd. Wat de belangen van betrokkene betreft, is in het besluit van 26 november 2009 primair het standpunt ingenomen dat deze belangen niet opwegen tegen het ruimtelijk belang bij weigering van de vrijstelling, met name omdat de door betrokkene in verband met de vrijstelling gemaakte kosten zijn gemaakt terwijl de uitkomst van de procedure onzeker was. Zoals eerder is overwogen, mocht betrokkene op basis van de collegebeslissing van 9 mei 2009 erop vertrouwen dat van de zijde van het college zonder meer zou worden meegewerkt aan verlening van de vrijstelling. De motivering van het college, die berust op de veronderstelling dat bij betrokkene nimmer vertrouwen is gewekt, is in dit opzicht ondeugdelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen