ABRvS 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7633
Opleggen geschiktheidsonderzoek. Zoals het CBR terecht betoogt, heeft de Afdeling reeds eerder overwogen dat uit de ter zake van toepassing zijnde wettelijke voorschriften niet voortvloeit dat het vermoeden moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorrijtuig. De bevoegdheid tot het vorderen van een onderzoek naar de geschiktheid komt het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat iemand in strijd met de wettelijke voorschriften onder invloed van drogerende stoffen een motorrijtuig heeft bestuurd. Zoals de Afdeling voorts eerder, onder meer in voormelde uitspraak, heeft overwogen mag in beginsel van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek afgelegde verklaringen worden uitgegaan. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat uit de ter zitting bij de Rb. onder ede afgelegde verklaring van persoon A, die zijn op schrift gestelde verklaring bevestigt, genoegzaam naar voren is gekomen dat hij vanaf de kroeg als bestuurder van de auto van wederpartij is opgetreden. De verklaringen van de andere getuigen ondersteunen de geloofwaardigheid van deze verklaring. Dat de getuigenverklaringen eerst twee weken na aanhouding van wederpartij zijn afgelegd, doet aan de betrouwbaarheid ervan niet af nu de verklaringen het reeds bij de aanhouding gevoerde betoog van wederpartij bevestigen dat hij niet als bestuurder vanaf de kroeg naar huis is opgetreden. Bovendien is in de processen-verbaal vermeld dat de verbalisanten wederpartij staande bij zijn motorrijtuig hebben aangetroffen. Hoewel een vermoeden van ongeschiktheid niet tijdens het besturen van een motorrijtuig behoeft te worden geconstateerd, heeft het CBR gelet op voormelde feiten en omstandigheden op grond van de processen-verbaal niet aannemelijk kunnen achten dat wederpartij onder invloed van een te hoog alcoholgehalte als bestuurder van zijn motorrijtuig is opgetreden. De in de processen-verbaal geconstateerde omstandigheden betreffende de stand van de bestuurdersstoel en de spullen op de bijrijdersstoel, zijn weliswaar voldoende om wederpartij als verdachte aan te merken, maar in het licht van de overige omstandigheden onvoldoende om aannemelijk te achten dat wederpartij, voordat hij werd aangetroffen, als bestuurder van het motorvoertuig is opgetreden. Dat wederpartij heeft verklaard dat hij na het nuttigen van alcoholhoudende drank op enig tijdstip zelf naar de kroeg is gereden, maakt dit niet anders. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, is niets bekend over het ademalcoholgehalte van wederpartij gedurende deze rit. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat het CBR niet bevoegd was wederpartij een onderzoek naar zijn geschiktheid op te leggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl