ABRvS 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7615
In hoger beroep staat ter beoordeling of het CBR een onderzoek door een psychiater mocht vorderen. Naar aanleiding van het rapport van de neuroloog heeft het CBR een onderzoek door een psychiater aangewezen geacht op basis van paragraaf 8.3 van de bijlage. In dat rapport wordt een medische voorgeschiedenis van auto-intoxicatie vermeld, waarvoor wederpartij in 2009 is opgenomen. Voorts vermeldt het rapport depressieve klachten, met gebruik van het antidepressivum Mirtazapine, en slaapproblemen. Daarmee beschikte het CBR over gegevens die het vermoeden rechtvaardigden dat wederpartij niet voldeed aan de in de Regeling gestelde eisen ten aanzien van het psychisch functioneren. Weliswaar heeft Blijham ten aanzien van wederpartij een positief advies uitgebracht, inhoudend "geschikt voor 5 jaar voor rijbewijzen van groep I", maar dat laat onverlet dat het CBR, gezien art. 101, lid 1, aanhef en onder b, van het Reglement, bevoegd is ook de psychische gesteldheid van wederpartij te laten onderzoeken. Het CBR was dan ook bevoegd om krachtens voornoemde bepaling, gelezen in verbinding met art. 2 van de Regeling en de paragrafen 8.1 en 8.3 van de bijlage, te vorderen dat wederpartij zich zou onderwerpen aan een onderzoek door een psychiater. Dat het CBR eerder naar aanleiding van het rapport van de neuroloog geen onderzoek door een psychiater heeft gevorderd, doet aan die bevoegdheid niet af. Daarbij neemt de Afdeling het belang van de verkeersveiligheid in aanmerking en voorts dat uit het besluit van 29 juni 2011, dat was gebaseerd op de met onvoldoende resultaat afgelegde rijtest, niet kan worden afgeleid dat het CBR zich destijds op het standpunt heeft gesteld dat op basis van voormelde gegevens geen aanleiding bestond een onderzoek door een psychiater te vorderen. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte niet onderkend dat het CBR bevoegd was wederpartij te verwijzen naar een psychiater en dat niet kan worden gesteld dat het CBR van die bevoegdheid, in het bijzonder gelet op het zwaarwegende belang van de verkeersveiligheid, geen gebruik heeft mogen maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl