ABRvS 23 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6369

Ingevolge art. 31, lid 5 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 dient een verzoeker buitenlandse akten, waaronder een buitenlands reisdocument en een geboorteakte over te leggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht, dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met de aantekening 'staatloos' in de GBA is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument. Verder is in de Handleiding vermeld dat van de voorwaarde van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Appellant is houder van een verblijfsvergunning regulier. Derhalve doen zich geen asielgerelateerde gronden voor waaruit zou volgen dat van appellant niet kan worden gevergd naar zijn land van herkomst te reizen en aldaar de benodigde documenten te verkrijgen. Dat hij voor de verlening en verlenging van zijn verblijfsrecht is vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument, vormt volgens het hiervoor weergegeven beleid geen grond om te worden vrijgesteld van het paspoortvereiste. De overige door appellant aangevoerde omstandigheden maken niet dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat van bewijsnood in dit geval geen sprake is. Het betoog faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen