ABRvS 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4921

Het betoog dat uit art. 20 van het VWEU voortvloeit dat de vreemdeling moet worden toegestaan met haar kinderen in Nederland te verblijven, treft geen doel. De omstandigheid dat de vader thans in een andere lidstaat verblijft, kan niet tot voornoemd oordeel leiden aangezien dit niet betekent dat de kinderen, wanneer zij bij hem verblijven, worden verplicht buiten de Unie te verblijven. Concrete aanwijzingen dat de vader, al dan niet met behulp van derden, feitelijk niet in staat is de zorg voor de kinderen te dragen, en dat de kinderen niet bij hem kunnen verblijven, zijn door de vreemdeling niet verstrekt. De enkele stelling dat de vader thans niet het gezag over de kinderen heeft, is daartoe onvoldoende nu gesteld noch gebleken is dat de vader dat gezag niet zou kunnen worden toegekend. De vreemdeling is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de kinderen, burgers van de Unie, zodanig van haar, burger van een derde land, afhankelijk zijn dat de kinderen als gevolg van de besluitvorming van de minister feitelijk worden verplicht met de vreemdeling buiten de Unie te verblijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen