ABRvS 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4918

De Rb. heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de bevoegdheid van het COa om de opvang van de vreemdeling te beëindigen geen grondslag kan hebben in art. 5, lid 1, aanhef en onder b, van de Rva 2005. De Rb. heeft hiertoe overwogen dat in de omstandigheid dat een voorlopige voorziening is getroffen op grond waarvan een vreemdeling niet mag worden uitgezet, besloten ligt dat het COa de opvang dient voort te zetten. Dit recht op opvang vloeit volgens de Rb. voort uit art.l 5, lid 1 van de Rva 2005, nu bij een wijziging van de Rva 2005 de haken rond het woord "hoger" in art. 5, lid 1, aanhef en onder b, van de Rva 2005 zijn vervallen en dit als een kennelijke verschrijving moet worden aangemerkt. (…). De uitleg van de Rb. vindt derhalve geen grondslag in de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van de Vw 2000 van 25 juni 2010 in verband met het aanpassen van de asielprocedure noch in de tekst van of de toelichting op art. 5 van de Rva 2005. Dit heeft de Rb. niet onderkend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen