ABRvS 26 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4893
De vreemdeling heeft op 29 juni 2006 een asielaanvraag ingediend, welke bij besluit van 6 juli 2006 is afgewezen. Bij brief van dezelfde datum heeft de minister de vreemdeling meegedeeld dat vanwege haar zwangerschap op grond van art. 64 Vw 2000 tot 29 september 2006 uitstel van vertrek is verleend, als gevolg waarvan zij gedurende die periode rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van art. 8, onder j, van de Vw 2000. Dat de vreemdeling door deze mededeling in staat is gesteld om tot en met haar bevalling hier in Nederland te verblijven, houdt niet meer in dan een tijdelijke verhindering op medische gronden om de vreemdeling te kunnen uitzetten. De beëindiging van dit rechtmatige verblijf levert geen inmenging [in het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in art. 8, lid 2 van het EVRM] op (…).
De uitspraak op rechtspraak.nl