ABRvS 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4359
De gronden dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, zijn door hem niet weersproken en zijn derhalve op zichzelf terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Deze twee gronden zijn evenwel niet van dien aard dat hieruit op zichzelf dan wel in samenhang bezien reeds volgt dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken of dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Een nadere op de persoon van de vreemdeling betrekking hebbende toelichting is vereist. De minister heeft in dit verband naar voren gebracht dat de vreemdeling Dublinclaimant is. Verder heeft hij erop gewezen dat het ontbreken van middelen het onwaarschijnlijk maakt dat hij uit eigen beweging zal vertrekken. In art. 5.1a, lid 2 Vb 2000 is een afzonderlijke grondslag opgenomen voor inbewaringstelling in situaties waarbij sprake is van een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening. Van deze mogelijkheid heeft de minister geen gebruik gemaakt. Gelet hierop en nu de ter zitting van de Rb. gegeven toelichting van de minister dat de vreemdeling Dublinclaimant is niet te relateren is aan de twee aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden als hier aan de orde, dient deze toelichting in dit geval buiten beschouwing te worden gelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl