ABRvS 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4295
Uit de arresten van thans het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juli 2006, C 212/04, Adeneler, 23 september 2008, C 427/06, Bartsch en 26 mei 2011, C-165/09 tot en met C-167/09, Stichting Natuur en Milieu (www.curia.europa.eu) volgt dat een richtlijnbepaling eerst bij de toetsing van een in beroep bestreden besluit dient te worden betrokken, indien de implementatietermijn van de desbetreffende richtlijn is verlopen of indien vóór het aflopen van die termijn een nationale maatregel is genomen die tot implementatie van die bepaling dient, tenzij dat besluit of de daaraan ten grondslag liggende algemene nationale maatregel de verwezenlijking van het door die richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar brengt. De implementatietermijn van de richtlijn is verstreken op 10 oktober 2006. Ten tijde van het nemen van het besluit van 24 april 2006 had geen implementatie van de richtlijn plaatsgevonden. De situatie dat de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar wordt gebracht, doet zich voorts niet voor. De Rb. heeft dat besluit derhalve ten onrechte aan art. 12, lid 2 van de richtlijn, getoetst. Dat, zoals de Rb. heeft overwogen, die bepaling grotendeels overeenkomt met art. 1(F), maakt dit niet anders, nu art. 1(F) en het op de voet daarvan gevoerde beleid niet tot implementatie van die bepaling dient. (…). Er wordt niet toegekomen aan de beroepsgronden die in al het voorgaande niet aan de orde zijn geweest. Over die beroepsgronden heeft de Rb. uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 24 april 2006 waarop die betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.
De uitspraak op rechtspraak.nl