ABRvS 6 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3350
Uit voormelde toelichting op de toevoeging van onderdeel d aan artikel 3.17a van het VV 2000 kan ondubbelzinnig worden afgeleid dat door de regelgever niet is beoogd dat de minister in de asielprocedure gebruik maakt van de bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een beperking die verband houdt met verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. In overeenstemming hiermee heeft de minister in paragraaf B2/10.3 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, bepaald dat in alle gevallen waarin de verblijfsbeëindiging van de reguliere verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM hij gebruik pleegt te maken van de bevoegdheid van artikel 14, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, doch dat als gevolg van de systematiek van de Vw 2000, waarmee een strikte scheiding tussen de verblijfsvergunning regulier en de verblijfsvergunning asiel is beoogd, in een asielprocedure een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier moet worden ingediend, indien verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM wordt beoogd. Er bestaat geen grond om in weerwil van deze specifieke beleidsregel aan te nemen dat de minister zich in de praktijk toch gehouden acht in de asielprocedure gebruik te maken van evenbedoelde ambtshalve bevoegdheid louter op basis van de hiervoor onder 2.4. vermelde passage uit paragraaf C14/5 van de Vc 2000, nu deze passage dermate algemeen is geformuleerd dat daaraan niet die betekenis kan worden gehecht.
De uitspraak op rechtspraak.nl