ABRvS 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9262

ASIEL. Zorgvuldigheid. Nu de minister het advies om de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het besluit aan psychiatrisch onderzoek te onderwerpen, niet heeft opgevolgd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat door de handelwijze van de minister op voorhand het risico aanwezig was dat de vreemdeling niet naar behoren zou kunnen verklaren ten gevolge van zijn psychische situatie en dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het besluit. Ter zitting van de rechtbank heeft de minister verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat de vreemdeling lijdt aan PTSS. De minister heeft tevens erkend dat hij de vreemdeling, in strijd met het advies van Poelman, voorafgaand aan het nader gehoor noch nadien door een psychiater heeft laten onderzoeken. In hoger beroep heeft de minister betoogd dat deze handelwijze niet onzorgvuldig is, omdat hij de afwijzing van de aanvraag volledig heeft gegrond op verklaringen die de vreemdeling in het eerste gehoor heeft afgelegd en dat gehoor volgens Poelman zonder nader psychiatrisch onderzoek kon plaatsvinden. De minister gaat er daarmee aan voorbij dat hij in dit geval een aanmerkelijk zwaarder gewicht aan de door de vreemdeling tijdens het eerste gehoor afgelegde verklaringen heeft gehecht dan, gelet op het in de overwegingen 2.2.4. en 2.2.5. omschreven beperkte karakter van het eerste gehoor, gebruikelijk is en dan waarvan Poelman mocht uitgaan. Aan de verklaring van Poelman dat een eerste gehoor zonder nader psychiatrisch onderzoek kon plaatsvinden, kan daarom niet de betekenis worden toegekend die de minister daaraan met betrekking tot de afdoening van het asielverzoek gehecht wenst te zien. Dit geldt te meer nu uit het advies van Poelman volgt dat zijns inziens niet zonder nader psychiatrisch onderzoek op de asielaanvraag kon worden beslist. Dat de vreemdeling volgens de minister voorafgaand aan het eerste gehoor gebruik kon maken van professionele (rechts)hulpverlening en in Nederland aanwezige familieleden en bekenden, leidt, gelet op het hiervoor aangehaalde AI-rapport, niet tot een ander oordeel. Voor zover de minister het opmerkelijk acht dat in dat rapport is geconcludeerd dat de vreemdeling gezien zijn toestand ten tijde van het onderzoek op 22 september 2009 geen weerstand heeft kunnen bieden aan een advies dat hem in juni 2008 werd gegeven, faalt dit betoog. De vreemdeling wijst er in zijn verweerschrift terecht op dat Jansen hem weliswaar pas in september 2009 heeft onderzocht, maar wel de beschikking heeft gehad over de medische rapporten uit 2008, zodat hij heeft kunnen vaststellen of de toestand van de vreemdeling sindsdien is gewijzigd. Nu de minister zelf geen medisch onderzoek heeft laten verrichten waaruit aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de kwaliteit en de uitkomsten van het door Jansen verrichte onderzoek, moet het er op grond van diens bevindingen voor worden gehouden dat het feit dat de vreemdeling zijn eerdere bezoek aan Nederland heeft verzwegen, direct verband houdt met zijn psychische klachten. Hoewel de minister er terecht op wijst dat het AI-rapport buiten beschouwing laat dat de vreemdeling de volgorde van zijn namen heeft gewijzigd en de aanwezigheid van familie in Nederland heeft verzwegen, laat dat onverlet dat uit de door de vreemdeling overgelegde medische rapporten genoegzaam blijkt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat zijn psychische klachten de door hem afgelegde verklaringen ook op deze punten hebben beïnvloed. Nu de minister het advies om de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het besluit aan psychiatrisch onderzoek te onderwerpen, niet heeft opgevolgd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat door de handelwijze van de minister op voorhand het risico aanwezig was dat de vreemdeling niet naar behoren zou kunnen verklaren ten gevolge van zijn psychische situatie en dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het besluit van 17 juni 2009.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen