ABRvS 5 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8604
Daargelaten of de vreemdelingen rechtmatig verblijf hebben kunnen ontlenen aan artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000, moeten de vreemdelingen in ieder geval, zoals volgt uit voormelde uitspraak van 4 oktober 2011, vanaf het moment dat zij in persoon ten overstaan van de autoriteiten de wens hen internationale bescherming te verlenen kenbaar hebben gemaakt, in afwachting van de beslissing op de asielverzoeken, geacht worden aan artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf te hebben ontleend. Dit rechtmatig verblijf gold tijdens de periode die nodig is geweest om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, dan wel tijdens de behandeling van de asielverzoeken. Derhalve heeft de voorzieningenrechter terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat dit rechtmatig verblijf niet kan worden aangemerkt als een verblijfstitel, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter eveneens terecht heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat Nederland, vanwege het verstrekken van een verblijfstitel, verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van de vreemdelingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl