ABRvS 27 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7823

Ingevolge artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), voor zover hier van belang, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet slechts afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, indien naar het oordeel van onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, voor de vreemdeling in het betrokken derde land de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de aanvraag slechts afgewezen indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Ingevolge het vierde lid wordt bij de beoordeling of de aanvraag wordt afgewezen mede betrokken het beroep van de vreemdeling inhoudende dat hij in het derde land zal worden blootgesteld aan foltering, wrede of onmenselijke, of vernederende behandeling of bestraffing. Niet in geschil is dat de vreemdeling door Italië als vluchteling is erkend en dat het door de minister aan Italië gerichte verzoek tot terugname van de vreemdeling, die op 7 september 2009 hier te lande een asielaanvraag heeft ingediend, is gebaseerd op de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb. 1981, 239; hierna: de Overeenkomst). Vooropgesteld wordt dat, aangezien de vreemdeling een in Italië erkend vluchteling is, reeds hierom is voldaan aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 3.106a van het Vb 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen