ABRvS 27 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7795

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt hieruit dat, nadat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer vanwege eerwraak te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, het aan de minister is om aan de hand van informatie over de algemene situatie in Noord-Irak te onderzoeken of aldaar in het algemeen bescherming wordt geboden tegen deze dreiging. Wanneer uit die informatie blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid wordt geboden, is het, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat in haar individuele geval door de autoriteiten geen bescherming wordt geboden. Van een onjuiste uitleg door de rechtbank van het te hanteren toetsingskader is derhalve geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen