ABRvS 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7103

Uit de (…) uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2004 [in zaak nr. 200400863/1 (www.raadvanstate.nl)] volgt dat een vreemdeling ten aanzien van wie door de president van het EHRM een interim measure is getroffen, op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat zij de minister niet volgt in zijn betoog dat voormeld artikel enkel betrekking heeft op nationale rechterlijke beslissingen. Dat betoog vindt geen steun in de wetsgeschiedenis. Zoals verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2011 in zaak nr. 201007173/1/V4 (www.raadvanstate.nl) dient een interim measure te worden aangemerkt als een feitelijke belemmering, die alleen ziet op het vooralsnog uitstellen van de overdracht aan Italië. Dit betekent dat een ten aanzien van een vreemdeling door de president van het EHRM getroffen interim measure doorwerkt in de nationale rechtsorde. Nu dit op grond van het nationale recht betekent dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft en derhalve niet kan worden verwijderd, moet de nationale wetgeving geacht worden te voorzien in de mogelijkheid dat een interim measure opschortende werking heeft. Dit betekent dat de in artikel 20, tweede lid, van de verordening genoemde termijn van 18 maanden waarbinnen de vreemdeling moet worden overgedragen aan Italië, geacht wordt te zijn opgeschort totdat het EHRM op de klacht van de vreemdeling beslist, de vreemdeling zijn klacht intrekt, dan wel de president van het EHRM de ten aanzien van de vreemdeling getroffen interim measure opheft. (…) Bij uitspraak van 14 juli 2011 in zaak nr. 201009278/1/V3 (www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat de in die zaak overgelegde algemene stukken geen concrete aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat Italië asielzoekers die in het kader van de verordening zijn of zullen worden overgedragen, in strijd met zijn non-refoulementverplichtingen verwijdert. Verder is overwogen dat de Afdeling geen grond ziet voor het oordeel dat door de overdracht aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM. In de onderhavige zaak heeft de vreemdeling zich weliswaar in de besluitvormingsfase op documenten beroepen die dateren van ná het eerdere afwijzende besluit van 13 augustus 2009, maar van deze documenten, die zijn betrokken bij de voormelde uitspraak van 14 juli 2011, kan, gelet op hetgeen in die uitspraak is overwogen, op voorhand worden gezegd dat deze geen afbreuk doen aan dat besluit en de overwegingen waarop dat rust.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen