ABRvS 26 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6276

De doelstelling van de Verordening is het vaststellen van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend. De Verordening ziet niet op de wijze van inrichting van de asielprocedures in de afzonderlijke lidstaten. In het licht hiervan en gelet op de tekst van deze bepaling, staat artikel 4, tweede lid, van de Verordening er niet aan in de weg dat een asielverzoek dient te worden ingediend door middel van een formulier. Artikel 4, tweede lid, van de Verordening geeft geen termijn voor het laten indienen van een asielverzoek met behulp van een formulier. Slechts voor het opstellen van een proces-verbaal is bepaald dat dit zo kort mogelijk na de intentieverklaring moet geschieden. Gelet op het voorgaande, en nu voorts niet is gebleken van een zodanig tijdsverloop tussen de door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen en de uiteindelijke gelegenheid tot het indienen van het asielverzoek dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van de Verordening dat snel moet kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, heeft de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat in de onderhavige zaak tussen het uiten van de wens om internationale bescherming en de formele indiening van het asielverzoek ongeveer vier maanden zijn verstreken, ten onrechte aanleiding gezien voor de gegrondverklaring van het beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen