ABRvS 31 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3726

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 14 november 2011 in zaak nr. 201010226/1/V1, www.raadvanstate.nl) is een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring een aanvraag in de zin van artikel 4:2 van de Awb. De toepasselijkheid van dit artikel brengt met zich dat de minister, gegeven het feit dat uit artikel 6.6, derde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 volgt dat de daarin bedoelde verklaring nodig is voor de beslissing op het verzoek, aan de hand van voormelde beleidsregel en de door de vreemdeling gestelde omstandigheden, diende te beoordelen of van hem redelijkerwijs kan worden gevergd dat hij die verklaring bij zijn verzoek verstrekt. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen, maar de grief kan gelet op het volgende niet leiden tot het ermee beoogde doel. Het verstrekken van vorenbedoelde verklaring kan volgens de hiervoor weergegeven beleidsregel achterwege blijven indien het overleggen van de verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs-)situatie of het ontbreken van een registratie in het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven. Nu het niet kunnen overleggen van de vereiste verklaring een gevolg is van het feit dat de vreemdeling er zelf voor heeft gekozen zonder geldige verblijfstitel in Spanje te verblijven, heeft de minister zich, gelet op de uit voormelde artikelen voor de vreemdeling voortvloeiende verplichting, terecht op het standpunt gesteld dat dit voor risico van de vreemdeling komt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen