ABRvS 30 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2875

In het door de staatssecretaris in het besluit van 31 december 1996 ingenomen standpunt dat aannemelijk is dat de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, ligt besloten dat de staatssecretaris toen aannemelijk heeft geacht dat de vreemdeling bij terugkeer naar dat land een reëel risico zou lopen te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Gelet op het uit het vluchtelingenschap voortvloeiende verbod op refoulement, ligt het dan ook op de weg van de staatssecretaris om aannemelijk te maken dat de vreemdeling thans, anders dan ten tijde van het besluit van 31 december 1996, geen reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat, ondanks dat de vreemdeling in 1996 als vluchteling is toegelaten tot Nederland, het aan hem is om aannemelijk te maken dat hij thans bij terugkeer gevaar loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen