ABRvS 14 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BV3580

In het besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat geloofwaardig wordt geacht dat de vreemdeling inmiddels in Nederland een homoseksuele relatie heeft. De minister heeft zich echter in het besluit tevens op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk wordt geacht dat de vreemdeling in Iran homoseksuele relaties heeft gehad en er geen reden is om te veronderstellen dat de autoriteiten in Iran op de hoogte zijn van zijn seksualiteit. Voorts heeft de minister er in het besluit op gewezen dat uit het ambtsbericht blijkt dat er geen gevallen bekend zijn van een actief opsporings- en vervolgingsbeleid ten opzichte van homoseksuele geaardheid of handelingen. In reactie op hetgeen de rechtbank over dit standpunt heeft overwogen, heeft de minister gewezen op de hiervoor onder 2.5 vermelde passages uit het ambtsbericht die de rechtbank heeft geciteerd in rechtsoverweging 5.3. van de aangevallen uitspraak. Uit de voormelde WBV's blijkt weliswaar dat homoseksuelen in Iran structureel hebben te lijden onder het sociale stigma bij homoseksueel gedrag en dat indien bekend is dat een persoon homoseksueel is, het mogelijk is dat deze gediscrimineerd wordt, doch daaruit blijkt niet dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, de situatie aldaar zodanig is dat van een uit Iran afkomstige homoseksuele vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aannemelijk maakt dat er sprake is van hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Mede gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van de minister, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij, vanwege de enkele omstandigheid dat hij homoseksueel is, deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Voorts heeft hij, gelet hierop, niet aannemelijk gemaakt dat hij, die als veertienjarige naar Nederland is gekomen, persoonlijk in de bijzondere negatieve aandacht van de autoriteiten staat. De minister heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling homoseksueel is, onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. (...) Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juli 2010 in zaak nr. 200910267/1/V1; www.raadvanstate.nl), staat geen rechtsregel er aan in de weg dat, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, bij de beoordeling van een beroep tegen een besluit gronden worden betrokken die na het nemen van dat besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in bezwaar naar voren zijn gebracht. Artikel 4:2, tweede lid, van de Awb houdt zodanige begrenzing in. Ingevolge die bepaling is de aanvrager verplicht bij de aanvraag reeds alle benodigde gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking heeft of kan krijgen over te leggen. Ook een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring is een aanvraag in de zin van artikel 4:2 van de Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen