ABRvS 8 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8620
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102760/1/V3; www.raadvanstate.nl) moet een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, worden aangemerkt. Op het moment dat bedoelde wens aldus kenbaar is gemaakt, is een vreemdeling een asielzoeker, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van deze richtlijn. (…) Zoals de Afdeling ook in voormelde uitspraak heeft overwogen moet een vreemdeling die in afwachting is van de formele indiening van een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen geacht worden binnen de reikwijdte van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te vallen. Dat betekent in deze zaak dat de vreemdeling, nu hij op 6 januari 2011 in persoon tegenover een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee heeft verzocht om hem internationale bescherming te verlenen, geacht moet worden daarmee rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te hebben verkregen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vreemdeling op 6 januari 2011 ten onrechte krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. De vreemdeling heeft bij het op 6 januari 2011 gehouden gehoor bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het het Vb 2000 de wens kenbaar gemaakt om hem internationale bescherming te verlenen. Daardoor was de vreemdeling vanaf het tijdstip van het gehoor en dus ook op het latere tijdstip waarop hij in bewaring werd gesteld een asielzoeker. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat op de bewaring van de vreemdeling de Procedurerichtlijn van toepassing is. Dat, naar gesteld, op een vóór de inbewaringstelling gelegen tijdstip de Terugkeerrichtlijn van toepassing is geweest, doet daar niet aan af. Uit het vorenoverwogene volgt dat de vreemdeling wel krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring had kunnen worden gesteld. Dit is alsnog op 12 januari 2011, binnen de in artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn, gebeurd. Zoals de Afdeling in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 21 april 2010 heeft overwogen, voor zover thans van belang, kan uit de punten 45 en 48 van het arrest van 30 november 2009, C-357/09 PPU, Kadzoev, niet worden afgeleid dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de bewaring van een asielzoeker, indien deze met het oog op verwijdering is opgelegd, in strijd met artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, acht. Voormeld arrest noopt niet tot de conclusie dat een asielzoeker niet krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld en ook overigens worden met een bewaring van een asielzoeker krachtens artikel 59 van de Vw 2000 de grenzen van artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn niet overschreden, aldus deze uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl