ABRvS 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7538
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het bepaalde in artikel 3.90 van het Vb 2000 niet dat bij de beoordeling of de vreemdeling aan de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3.51, tweede lid, van het Vb 2000, heeft voldaan, tevens betekenis toekomt aan het feit dat de samenwoning is verbroken indien de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten. Artikel 3.90 van het Vb 2000 behelst slechts een uitzondering op de bevoegdheid van de minister een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken. Uit het feit dat in het in 2.2.5. genoemde besluit van 16 november 2009, waarbij intrekking van de verblijfsvergunning achterwege is gelaten voor de periode dat de samenwoning tijdelijk was verbroken, toepassing is gegeven aan artikel 3.90 van het Vb?2000 volgt derhalve niet dat wat voornoemde periode betreft toch van samenwoning moet worden uitgegaan. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat een vreemdeling, indien deze niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51 van het Vb?2000, volgens het in rechtsoverweging 2.2.4. weergegeven beleid, wegens klemmende redenen van humanitaire aard, waaronder aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie, voortgezet verblijf kan worden verleend op grond van artikel 3.52 van het Vb 2000, hetgeen in het thans aan de orde zijnde besluit van 16 november 2009 ook is gedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl