ABRvS 18 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6102
Studerenden zijn, als gevolg van de keuze een studie te volgen, doorgaans niet in staat om voldoende arbeid te verrichten om volledig in het eigen levensonderhoud te voorzien. De WSF 2000 voorziet daarom in de mogelijkheid voor studerenden om een aanvraag te doen bij de overheid om aan een deel van de kosten voor het levensonderhoud bij te dragen. Aan de op aanvraag te verkrijgen bijdrage van overheidswege, waarvan de omvang en vorm afhangt van persoonlijke omstandigheden, is geen premiebetaling door de ontvanger ervan voorafgegaan. Onder deze omstandigheden - de behoeftigheid aan de zijde van de studerende, de overheidsbijdrage in de vorm van studiefinanciering, de individuele beoordeling van de aanvraag om studiefinanciering en in het bijzonder het ontbreken van premiebetaling door de ontvanger ervan - is het - in het licht van de jurisprudentie van het Hof, zoals hiervoor weergegeven onder 2.2.4. tot en met 2.2.7. - buiten tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel dat de inkomsten uit studiefinanciering krachtens de WSF 2000 dienen te worden aangemerkt als sociale bijstand in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn. Derhalve kunnen inkomsten uit studiefinanciering niet worden aangemerkt als stabiele en regelmatige inkomsten in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn. Deze richtlijnbepaling staat er dan ook niet aan in de weg dat in het besluit van 6 juli 2010 de inkomsten uit studiefinanciering niet zijn aangemerkt als middelen van bestaan in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vw 2000.
De uitspraak op rechtspraak.nl