ABRvS 31 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3498
De vreemdeling heeft bij zijn aanvullend bezwaarschrift van 2 november 2009 een brief van Rengelink van 29 oktober 2009 - die mede een reactie vormt op voormelde BMA-adviezen van 13 en 25 juli 2009 - overgelegd. De minister heeft hierin aanleiding gezien het BMA nogmaals advies te vragen over de medische situatie van de vreemdeling. Het BMA heeft vervolgens, met toestemming van de vreemdeling, medische informatie bij Rengelink opgevraagd, die hij bij brief van 1 april 2010 heeft verstrekt. Deze meest recente informatie heeft het BMA bij het opstellen van het BMA-advies betrokken. Rengelink en het BMA zijn bij het beoordelen van de psychische toestand van de vreemdeling dan ook van dezelfde gegevens uitgegaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 20 november 2003 in zaak nr. 200304889/1, JV 2004/39), betekent het tussen hen bestaande verschil van inzicht over de uit die gegevens te trekken conclusie op zichzelf niet dat het door het BMA verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Dit in aanmerking genomen en nu het BMA in antwoord op de vraag of een medische noodsituatie op korte termijn dreigt gemotiveerd heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister het BMA-advies niet aan het besluit van 30 juli 2010 ten grondslag heeft mogen leggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl