ABRvS 1 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3412
Uit hetgeen hiervoor onder 2.4 is weergegeven volgt dat de minister de hem bij artikel 11, vijfde lid, van de Vw (oud) verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen vanaf 5?april?1994 uitgeoefend door vreemdelingen een zodanige vergunning te verlenen indien zij aan de voorwaarden van het driejarenbeleid voldeden. Dat betekent dat de uitoefening van deze bevoegdheid ten opzichte van 1?januari?1973 vanaf 5?april?1994 in zoverre is versoepeld. Vanaf 1?januari?2003 heeft de minister deze uitoefening van de hem thans bij artikel 14, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen niet meer toegepast. Daarmee is deze toepassing ten opzichte van de door de minister vanaf 5?april?1994 uitgeoefende bevoegdheid om een zodanige vergunning te verlenen aangescherpt. Aangezien, zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, hetgeen het Hof in het arrest Toprak en Oguz voor recht heeft verklaard ook van betekenis is voor de uitleg van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, volgt daaruit dat het met ingang van 1 januari 2003 niet meer toepassen van de vanaf 5? april?1994 ingetreden verruimde uitoefening van de aan de minister verleende bevoegdheid om op grond van het driejarenbeleid een verblijfsvergunning te verlenen indien aan de voorwaarden van dat beleid is voldaan een bij artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol verboden "nieuwe" beperking vormt.
De uitspraak op rechtspraak.nl