ABRvS 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8385

Mede in aanmerking nemend dat, zoals ook is overwogen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 november 2010, C-145/09, Land Baden-Württemberg tegen Panagiotis Tsakouridis, in het Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van illegale drugshandel wordt overwogen dat de illegale drugshandel een bedreiging vormt voor de gezondheid, de veiligheid en de levenskwaliteit van de burgers van de Europese Unie alsook voor de wettige economie, de stabiliteit en de veiligheid van de lidstaten, moet het gedrag van de vreemdeling dat heeft geleid tot zijn ongewenstverklaring als een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving worden aangemerkt. In het licht van artikel 32 van de richtlijn ligt het op de weg van de vreemdeling om in het kader van zijn aanvraag tot opheffing van zijn ongewenstverklaring te staven dat er een wijziging in de zin van deze bepaling is opgetreden. De vreemdeling is daar, door te wijzen op zijn werkzaamheden als fietstaxichauffeur in Amsterdam en door te stellen dat hij een huis in Roemenië bezit, geen verdovende middelen meer gebruikt en met zijn vriendin een bestaan in Nederland wil opbouwen niet in geslaagd, reeds gelet op de voormelde door hem sedert zijn ongewenstverklaring in Nederland tot kort voor zijn aanvraag gepleegde delicten. Dat deze delicten hun oorzaak zouden vinden in zijn geestesgesteldheid als gevolg van zijn betrokkenheid bij de brand op 27 oktober 2005 in het detentiecentrum te Schiphol-Oost, neemt niet weg dat daaruit niet blijkt van voormelde wijziging in materiële zin.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen