ABRvS 11 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8374
Aangezien de vreemdeling ter zake van zijn afkomst derhalve geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond, moet worden aangenomen dat hij niet afkomstig is uit Zuid-Somalië. Desalniettemin vreest de vreemdeling te worden uitgezet naar Mogadishu. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 juni 2011 in zaak nr. 201010753/1/V2 (www.raadvanstate.nl) dient de rechter de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van de mede daaraan verbonden rechtsgevolgen. Dat betekent echter niet dat die rechtsgevolgen los van de strekking van de beschikking op de aanvraag waaruit deze voortvloeien kunnen worden beoordeeld. Vooropgesteld zij dat uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om na de afwijzing van diens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, Nederland binnen de daartoe gestelde termijn te verlaten. Eerst indien de vreemdeling niet aan die verplichting voldoet, ontstaat voor de minister de bevoegdheid om hem uit te zetten. Of de minister die bevoegdheid vervolgens ook daadwerkelijk aanwendt, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. De wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden, maakt dan ook geen deel uit van de beoordeling die de minister naar aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verrichten. In het licht van het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte de situatie in Mogadishu bij de beoordeling betrokken. De, naar gesteld, onveilige situatie in die stad kan in zoverre niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan het besluit van 8 februari 2011 door de rechter kan worden getoetst.
De uitspraak op rechtspraak.nl