ABRvS 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT1932

De minister heeft zich in het besluit van 13 oktober 2009 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling aan artikel 3.92, eerste lid, onder a, sub 2, van het Vb 2000 geen aanspraken kan ontlenen, omdat die bepaling niet ziet op vreemdelingen die, zoals de vreemdeling, ten tijde van het vertrek uit Nederland meerderjarig waren. Bovendien is Nederland, volgens de minister, voor de vreemdeling niet het meest aangewezen land. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat de vreemdeling, die de Turkse nationaliteit heeft, kort na haar huwelijk in 1993 Nederland heeft verlaten en met haar echtgenoot in Turkije is gaan wonen. Niet is gebleken dat het destijds niet de eigen keuze was van de vreemdeling om haar echtgenoot te volgen naar Turkije. Tevens is van belang dat de vreemdeling thans meer dan vijftien jaar in Turkije woont, daar sinds haar echtscheiding in 2004 zelfstandig met haar kind leeft en in dat land over werk beschikt, aldus de minister. De door de vreemdeling gestelde omstandigheden dat zij bijna twintig jaar in Nederland heeft gewoond en hier te lande naar school is gegaan en heeft gewerkt, laten onverlet dat zij in 1993 naar Turkije is vertrokken zonder dat is gebleken dat dit niet haar eigen keuze was en zij ten tijde van het besluit op bezwaar meer dan vijftien jaar in dat land, waarvan zij de nationaliteit bezit, woonachtig was. Voorts kan uit de stukken worden afgeleid dat de vreemdeling in Turkije over werk beschikt. Door de vreemdeling is voorts nog gesteld dat haar meeste familieleden in Nederland woonachtig zijn, maar vaststaat dat haar minderjarige dochter bij haar in Turkije woont. Gelet op het geheel van de zich in dit geval voordoende omstandigheden bestaat, mede gelet op de beoordelingsvrijheid die in artikel 3.92, eerste lid, onder a, sub 2, van het Vb 2000 ter zake daarvan aan de minister is toegekend, geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat Nederland voor de vreemdeling niet als het meest aangewezen land is aan te merken. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft gesteld dat de vreemdeling aan voormelde bepaling geen aanspraken kan ontlenen. De klacht van de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat meergenoemde bepaling enkel van toepassing is op vreemdelingen die ten tijde van het vertrek uit Nederland minderjarig waren, behoeft derhalve, wat er verder zij van die klacht, geen bespreking meer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen