ABRvS 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6665

Indien de nationale wetgeving reeds in een in de richtlijn voorziene maatregel voorziet, zoals in dit geval de inbewaringstelling van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen met het oog op hun uitzetting, hoeft deze in zoverre niet te worden aangepast. (…) Nu de minister zijn bevoegdheid tot inbewaringstelling van de vreemdeling aan artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan ontlenen, beroept hij zich in zoverre niet ten laste van de vreemdeling op een bepaling van de richtlijn waarvan de omzetting nog niet heeft plaatsgevonden. (…) In punt 13 van het arrest Kolpinghuis heeft het Hof overwogen dat de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging van de ter zake dienende voorschriften van zijn nationale recht te rade te gaan met de inhoud van de richtlijn, haar begrenzing vindt in de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van het gemeenschapsrecht, en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht. Nu de richtlijnconforme interpretatie van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 juist ten doel heeft de aanvullende rechtsbescherming die de richtlijn ten opzichte van deze bepaling biedt, te garanderen, is van een schending van de voormelde rechtsbeginselen geen sprake. (…) Nu de vreemdeling geen familielid van een Unieburger is in de zin van artikel 8.7, tweede lid, van het Vb 2000 en niet heeft gestaafd dat hij een familielid van een Unieburger is in de zin van artikel 8.7, derde lid, van het Vb 2000, is artikel 8.11, tweede lid, van het Vb 2000 niet op hem van toepassing. Gelet hierop heeft de rechtbank niet meer kunnen toekomen aan beantwoording van de vraag of de vreemdeling over een geldig paspoort dient te beschikken, zoals de laatstgenoemde bepaling vereist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen