ABRvS 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6660
De minister heeft zich in het besluit van 21 januari 2009, en het daarin ingelaste voornemen daartoe, niet ondubbelzinnig uitgelaten over de vraag of de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Gelet daarop moet het ervoor worden gehouden dat de minister bij de door hem verrichte beoordeling ervan is uitgegaan dat de door de vreemdeling aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegde feiten zich hebben voorgedaan, (…). Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de minister deze gestelde gebeurtenissen voor geloofwaardig heeft gehouden. (…) Het arrestatiebevel betreft een kopie aan de hand waarvan niet kan worden vastgesteld of het document is opgemaakt door een daartoe bevoegde instantie. Voorts is het verband tussen het arrestatiebevel en zijn asielrelaas niet voldoende gebleken. Gelet hierop, bestaat er geen grond om deze stukken bij de beoordeling te betrekken. (…) De vreemdeling heeft aldus nieuwe asielmotieven aangevoerd, die geen verband houden met het in het kader van de aanvraag afgelegde asielrelaas. Artikel 8:69, eerste lid, van de Awb noch artikel 83 van de Vw 2000 heeft hierop betrekking, zodat beoordeling van die motieven en de dienaangaande overgelegde stukken niet in de onderhavige procedure kan plaatsvinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl