ABRvS 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3825

Mvv-vereiste / hardheidsclausule geen verruiming van artikel 3.71, tweede lid, onder k, Vb 2000 Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 juni 2003 in zaak nr. 200301866/1 (JV 2003, 357), blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 108-109) dat de daarin neergelegde bevoegdheid bedoeld is als discretionair van aard en beperkt van omvang. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door wet- en regelgever niet zijn voorzien. In de brief van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 19 september 1997 (TK 1997-1998, 24 544, nr. 16, blz. 1) is voorts als beleidsuitgangspunt gekozen dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 december 2003 in zaak nr. 200306704/1 (JV 2004, 63) komt de minister ter zake van de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe. De weigering van de minister om in een bepaald geval toepassing te geven aan die clausule zal de toetsing in rechte slechts dan niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule. De enkele omstandigheid dat een zekere gelijkenis bestaat met personen die behoren tot een wel vrijgestelde categorie is daartoe onvoldoende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen