ABRvS 27 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3786
Procesbelang asielprocedure / gemeenschapsonderdaan / niet vastgesteld dat geen rechtmatig verblijf Ingevolge artikel 6 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, dat is omgezet in artikel 8.11 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), mocht de vreemdeling vanaf zijn binnenkomst op - naar eigen zeggen - 9 februari 2011 drie maanden in Nederland verblijven op voorwaarde van een geldig paspoort of identiteitsbewijs. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de vreemdeling op het moment van het bestreden besluit als gemeenschapsonderdaan rechtmatig in Nederland verbleef. Uit hetgeen de vreemdeling dienaangaande naar voren heeft gebracht blijkt niet dat de minister heeft vastgesteld dat de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf ontleent aan het unierecht. Dat het besluit van 8 maart 2011 een afwijzing van een asielaanvraag betreft, is hiertoe onvoldoende, reeds omdat met deze afwijzing niet is vastgesteld dat de vreemdeling niet meer aan de uit het unierecht voortvloeiende voorwaarden voor verblijf voldoet. Anders dan de vreemdeling betoogt, vloeit uit een door hem gedaan beroep op de algemene middelen, gelet op artikel 8.16, eerste lid, laatste volzin, van het Vb 2000, niet zonder meer voort dat het rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is geëindigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl