ABRvS 19 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3782
Asiel / beroep op artikelen 41 en 47 van het Handvest faalt / verhouding artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn en eis van positieve overtuigingskracht Het beroep van de vreemdeling op artikel 41 van het Handvest faalt. De vreemdeling heeft blijkens het rapport van het nader gehoor desgevraagd verklaard dat hij tevreden was over de wijze waarop het gehoor was verlopen en geen klachten over de gehoorambtenaar of de tolk te hebben. Hoewel de gemachtigde van de vreemdeling in de zienswijze te kennen heeft gegeven onvoldoende tijd te hebben gehad het rapport van het gehoor met de vreemdeling door te nemen en zich in de zienswijze het recht heeft voorbehouden correcties en aanvullingen op het rapport in te dienen, heeft hij dergelijke correcties en aanvullingen niet ingediend. Hij heeft ook niet op andere wijze aangevoerd dat de verslaglegging van het nader gehoor onjuist zou zijn. Nu de vreemdeling evenmin heeft onderbouwd waaruit blijkt dat zijn toegang tot een persoonlijke tolk te beperkt zou zijn, dan wel dat hij op andere wijze, door toedoen van de minster, in de bestuurlijke fase onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag toe te lichten, kan, daargelaten of artikel 41 van het Handvest gelet op de bewoordingen daarvan en de toelichting daarbij, op besluitvorming als hier aan de orde van toepassing is, niet worden gezegd dat de minister de aan dat artikel ten grondslag liggende beginselen bij zijn besluitvorming niet in acht heeft genomen. Ook het beroep op artikel 47 van het Handvest faalt, omdat dat artikel, blijkens de bewoordingen en de toelichting daarbij, niet van toepassing is op de bestuurlijke fase maar op de rechterlijke fase. Het artikel kent een recht van toegang tot die rechterlijke fase toe.[..] Met het hiervoor weergegeven beleid stelt de minister, in het geval niet is voldaan aan de in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn geïmplementeerd in artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000 - gestelde voorwaarden, de desbetreffende vreemdeling in staat zijn asielrelaas alsnog aannemelijk te maken, met dien verstande dat alsdan van dat relaas een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Aldus wordt in het beleid, in overeenstemming met de punten 6 en 8 van de considerans van de richtlijn en artikel 3 van de richtlijn, een bescherming geboden in aanvulling op artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn. Zoals hiervoor onder 2.7.2. is overwogen, heeft de vreemdeling geen oprechte inspanning verricht, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn. Niettemin heeft de minister alsnog onderzocht of zijn verklaringen alsnog als aannemelijk zijn te beschouwen, omdat er positieve overtuigingskracht vanuit gaat. Gelet op het vorenoverwogene faalt het betoog dat in strijd met artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn op de vreemdeling een te zware bewijslast rust.
De uitspraak op rechtspraak.nl