ABRvS 15 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3779
Proportionaliteitstoets 1 (F) Vlv met duurzaam 3 EVRM beletsel / minister is niet gehouden beleidsregels vast te stellen / bij belangenafweging geldt geen waterscheiding De minister is weliswaar bevoegd, maar anders dan de vreemdeling betoogt niet gehouden beleidsregels vast te stellen voor een nadere invulling van de criteria aan de hand waarvan hij beoordeelt of zich voormelde uitzonderlijke situatie voordoet, waarin hij in het verblijf hier te lande van de desbetreffende vreemdeling berust. Indien de minister evenwel geen beleidsregels vaststelt, dient hij voor elk geval te motiveren dat en waarom in dat specifieke geval voormelde uitzonderlijke situatie niet aan de orde is. Daarbij dient hij inzichtelijk te maken welk gewicht hij hecht aan de door een vreemdeling aangevoerde belangen en deze belangen vervolgens kenbaar af te wegen tegen het algemeen belang van de Nederlandse Staat niet te berusten in het verblijf hier te lande van personen op wie artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en hen derhalve geen verblijfsvergunning te verlenen. Op deze wijze is gewaarborgd dat - mede in aanmerking genomen dat het hier slechts, zoals hiervoor is overwogen, een kleine groep vreemdelingen betreft - de minister met het oog op de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid consistent besluiten neemt. [..] Bij de beoordeling of sprake is van de uitzonderlijke situatie dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, dient de minister alle door de vreemdeling aangevoerde belangen in aanmerking te nemen. Ter zitting heeft de minister zich samengevat weergegeven op het standpunt gesteld dat hij, anders dan hij bij de rechtbank heeft betoogd, thans van mening is dat hij, hoewel hij in het kader van een asielprocedure beoordeelt of zich voormelde uitzonderlijke situatie voordoet, alle door de vreemdeling aangevoerde belangen, derhalve ook belangen die regulier van aard zijn, daarbij in aanmerking neemt. Indien de vreemdeling al dan niet met een beroep op artikel 8 van het EVRM aanvoert dat zijn familie dan wel gezinsleden in Nederland mogen verblijven, dient de minister ook dit belang bij de beoordeling te betrekken.
De uitspraak op rechtspraak.nl