ABRvS 12 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2118
Uit het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM) van 29 januari 2008, nr. 13229/03, RJ&D ECHR 2009, Saadi tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/04) is onder meer af te leiden dat een vrijheidsontnemende maatregel, om niet als willekeurig en daarmee in strijd met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM te worden aangemerkt, te goeder trouw moet worden uitgevoerd, in nauw verband moet staan met het doel ervan en de plaats waar en de omstandigheden waaronder de maatregel wordt uitgevoerd passend moeten zijn. Uit de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder de arresten Mayeka en Mitunga tegen België, van 12 oktober 2006, nr. 13178/03, RJ&D ECHR 2006-XI, JV 2007/29, en Muskhadzhiveya e.a. tegen België, EHRM 19 januari 2010, 41442/07, JV 2010, 119, kan niet worden afgeleid dat het detineren van minderjarige vreemdelingen samen met volwassenen zonder specifiek op de leeftijd van de betrokken minderjarige gerichte faciliteiten en activiteiten op zichzelf, ongeacht diens individuele omstandigheden, reeds willekeurig is en in strijd met artikel 5 van het EVRM dient te worden geacht. De jurisprudentie van het EHRM maakt in dit verband geen onderscheid tussen alleenstaande minderjarige vreemdelingen en minderjarige vreemdelingen die in gezinsverband worden gedetineerd. Een minderjarige dient per definitie kwetsbaar te worden geacht. Evenwel bestaat geen grond voor het oordeel dat de in AC Schiphol bestaande detentieomstandigheden van dien aard zijn dat minderjarige vreemdelingen, al dan niet begeleid door een volwassene, die een asielaanvraag hebben ingediend of mede ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend, ook niet gedurende enige tijd op die locatie kunnen worden geplaatst ter indiening en behandeling van die asielaanvraag. Daarbij geldt wel dat, gezien hun kwetsbare positie, het verblijf van minderjarige vreemdelingen in een penitentiaire omgeving en zonder of met slechts geringe faciliteiten of activiteiten gericht op hun leeftijd, in duur beperkt dient te zijn. Anders dan in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, kunnen minderjarige vreemdelingen die worden begeleid door één of meer volwassenen, terugvallen op de bescherming en zorg van hun begeleiders. Gelet hierop, en mede in het licht van voormelde jurisprudentie van het EHRM inzake artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM, bestaat geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden in AC Schiphol, als hiervoor gerelateerd, te kort schieten voor een toereikend te achten opvang van gezinnen met minderjarige vreemdelingen gedurende de op grond van de hiervoor onder 2.3. uiteengezette wet- en regelgeving maximale periode van veertien dagen waarin asielzoekers die maatregel op die plaats kan worden opgelegd. In dit verband wordt mede van belang geacht dat, zoals de minister ter zitting heeft aangegeven, het AC Schiphol bij uitstek is ingericht voor de behandeling van asielaanvragen van gedetineerde vreemdelingen, gelet op de aanwezigheid van faciliteiten noodzakelijk voor een zorgvuldige behandeling van de asielaanvraag, terwijl AC Schiphol tevens te beveiligen is tegen ongeoorloofd vertrek. De minister kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het in algemene zin inperken van de maximale duur van het verblijf op AC Schiphol bij gezinnen met minderjarige kinderen naar korter dan veertien dagen vanwege de noodzakelijke in de asielprocedure achtereenvolgens te nemen stappen afbreuk doet aan de zorgvuldige behandeling van de asielaanvraag. Gelet op de kwetsbare positie van minderjarigen en het, blijkens de verklaring van de minister ter zitting, geringe aantal gezinnen met minderjarige kinderen dat gelijktijdig op AC Schiphol verblijft, kan van de minister wel worden verlangd dat hij zoveel mogelijk voorrang geeft aan de behandeling van de asielaanvraag van een gezin met minderjarige kinderen om het verblijf in AC Schiphol zo kort mogelijk te houden.
De uitspraak op rechtspraak.nl