ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2044

Tussen partijen is niet in geschil is dat de vreemdeling een Turkse onderdaan is, die van 17 september 1999 tot 30 september 2002 onafgebroken voor dezelfde werkgever arbeid als internationaal vrachtwagenchauffeur heeft verricht. Evenmin is in geschil dat hij voor die periode een verblijfsrecht voor het verrichten van die arbeid had en dat zijn werkgever voor die periode over een tewerkstellingsvergunning beschikte, op grond waarvan het hem was toegestaan die arbeid te verrichten. Voorts is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst tussen de vreemdeling en die werkgever eerst per 1 april 2001 bij het UWV is aangemeld en dat de werkgever eerst per die datum premies voor de sociale verzekeringen ten behoeve van de vreemdeling is gaan afdragen. Gezien de in 2.1.3 weergegeven feiten had de vreemdeling van 17 september 1999 tot 30 september 2002 een onomstreden verblijfsrecht en toestemming voor de uitoefening van de door hem verrichte arbeid. Het niet tijdig aanmelden van de arbeidsovereenkomst bij het UWV en het niet afdragen van premies voor de sociale verzekeringen hebben niet geleid tot intrekking of niet-verlenging van dat verblijfsrecht of die toestemming. Gezien de in 2.1.2. bedoelde jurisprudentie moet – anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2008 in zaak nr. 200707959/1 (www.raadvanstate.nl) – worden geoordeeld dat dat niet aanmelden en niet afdragen in een geval als dit niet tot gevolg hebben dat een Turkse werknemer geen rechten aan artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80, kan ontlenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen