ABRvS 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4611
Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat, in een geval als dit waarin in het kader van de voorbereiding van de beslissing tot het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning de desbetreffende vreemdeling uitdrukkelijk de mogelijkheid is geboden om de op zijn persoon betrekking hebbende gegevens te corrigeren, artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, respectievelijk artikel 19 aldus moeten worden gelezen dat een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van die vergunning kan worden afgewezen dan wel dat die vergunning kan worden ingetrokken, indien de vreemdeling in het kader van de procedure tot verlening van die vergunning onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot het niet ambtshalve verlenen van die vergunning. Indien de vreemdeling van de hem geboden gelegenheid tot identiteitsherstel gebruik zou hebben gemaakt, zou de vergunning niet zijn verleend onder de daarin vermelde, niet op de vreemdeling betrekking hebbende personalia. De staatssecretaris was derhalve op grond van artikel 19, in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bevoegd de vergunning in te trekken. Nu de vreemdeling, door tussenkomst van zijn raadsman, uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden zijn werkelijke identiteit bekend te maken en hij daarbij is gewezen op de gevolgen van het niet benutten van die gelegenheid, lag het op de weg van de vreemdeling om van die hem toen geboden gelegenheid tot identiteitsherstel gebruik te maken en kon de staatssecretaris de gevolgen van de afweging van de vreemdeling om zulks niet te doen voor diens rekening laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl