ABRvS 2 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3809

Het oordeel van de rechtbank, dat aan beoordeling van het door de vreemdeling tegen het besluit van 5 februari 2010 ingestelde beroep vanwege het ontbreken van belang bij de beoordeling daarvan niet wordt toegekomen, heeft - indien in stand gelaten - tot gevolg dat het besluit van 5 februari 2010 niet langer in rechte aantastbaar is. Bij mogelijke toekomstige besluitvorming zal dientengevolge de ongewenstverklaring aan de vreemdeling mogen worden tegengeworpen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ligt - met het oog op dergelijke besluitvorming - dan ook in het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel over het door de vreemdeling ingestelde beroep belang bij de beoordeling daarvan besloten. Nu door het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats 's Gravenhage, van 29 maart 2010 - waarbij de onvoorwaardelijke gevangenisstraf is omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf - de grondslag aan de ongewenstverklaring is komen te ontvallen, was de minister in verband met een zorgvuldige en behoorlijke uitoefening van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 evenwel gehouden het daartoe strekkende verzoek van de vreemdeling om de ongewenstverklaring in te trekken in te willigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen